DE
HOOP VAN DE WERELD:
DE GEMEENSCHAP OF DE KERK ?
www.elim.nl/ned/lgs/icsa-lgskerk.htm
Over de relatie tussen de christelijke
leefgemeenschap en de kerk (lezing ICSA
conferentie, UAV 1998) © copyright 1998, drs Gijs van den Brink
INLEIDING
De plaats en rol van de evangelische leefgroepen in de Nederlandse samenleving is sterk verweven met die van de kerk. Maar tegelijk is de relatie voor een buitenstaander en zelfs voor een insider niet altijd duidelijk. Vandaar onze titel: de hoop van de wereld: de gemeenschap of de kerk?
De relatie tussen de huidige evangelische leefgemeenschappen en de (protestantse) kerken is voor het grootste deel historisch bepaald. De wortels van de huidige protestants-evangelische leefgemeenschappen liggen rond het jaar 1800. Maar van de implicaties hiervan is men zich doorgaans niet bewust. Daarentegen is de relatie met het Nieuwe Testament, dat als inspiratiebron en zelfs als norm gehanteerd wordt, zeer levend aanwezig. Als wij iets willen begrijpen van de verhouding tussen de (protestants-) evangelische leefgroepen en de kerken in Nederland en het westen in het algemeen, moeten we niet alleen de historische ontwikkeling sinds 1800 schetsen, maar ook de nieuwtestamentische gegevens onder de loep nemen. Als we beide gebieden hebben geschetst, zullen we een paar evaluatieve conclusies trekken.
DE 'GEMEENTE AAN HUIS' IN HET NIEUWE TESTAMENT
De eerste gemeente in Jeruzalem
Over de eerste christelijke gemeenten in Jeruzalem en
omstreken, waarover wij redelijk goed geïnformeerd zijn, lezen we o.a. in
Hand.2:41-46:
"41 Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag
werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. 42 En zij bleven volharden bij
het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de
gebeden. ... 44 En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd
waren, hadden alles gemeenschappelijk; 45 en telkens waren er, die hun
bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan
hadden; 46 en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken
het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des
harten" (zie ook Hand. 1:13; 4:32-35; 5:42; 12:12)
Een gemeente met leden die elkaar dagelijks aan huis
ontmoetten en bleven bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het
breken van het brood en de gebeden. We citeren dit gedeelte bewust enigszins
uitvoerig, omdat het aangeeft dat het samenkomen aan huis niet een onbelangrijke
toevalligheid is, maar ingebed is in een bepaalde sociale context(1).
We kunnen dit gemeenteleven het beste verduidelijken als we even stilstaan bij
de gezamenlijke maaltijden, die Lukas met name noemt (vs 46). Dagelijks waren er
gemeenschappelijke maaltijden aan huis. En dan gaat het om minstens 5000
gelovigen in Jeruzalem en omstreken (Hand. 4:4)(2).
Als we (met Banks en Branick(3)) op grond
van archeologisch onderzoek aannemen dat er gemiddeld 30 mensen per huis kwamen
eten, dan betreft het minstens 165 huizen, waar dagelijks de tafels bediend
werden! Voor een ieder, arm of rijk was er te eten(4).
Het veronderstelt een enorme organisatie om dit alles te regelen. Als we dit tot
ons laten doordringen, begrijpen we ook beter waarom de apostelen even later,
als de gemeente nog meer groeit, zeggen: `Het bevredigt niet dat wij met
veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen' (Hand. 6:2). Ook blijkt
hier overduidelijk hoe grote waarde de apostelen aan het sociale aspect van het
gemeenteleven toekenden. Ze beschouwden het organiseren van de gezamenlijke
maaltijden even belangrijk als de prediking! Het zal duidelijk zijn dat deze
gemeentevisie samenhangt met de keuze om in huizen samen te komen.
De vraag is echter of dit samenkomen in particuliere huizen beperkt is gebleven
tot Jeruzalem en van voorbijgaande aard was of dat het juist een
voorbeeldfunctie had, die wijd verbreid navolging vond en een fundamenteel
gegeven is voor de christelijke kerk? Wat het antwoord van Lucas op deze vraag
zou zijn, is trouwens voor niemand een vraag.
Betekenis van 'ekklesia'
In het Grieks buiten de sfeer van het NT is ekklesia(5)
het gewone woord voor de bijeengeroepen vergadering van alle burgers in een
stad, voor politieke doeleinden. In deze zin komen we het tegen in Handelingen
19, waar Lucas spreekt over de 'volksvergadering' van Efeze (vs. 32,39,40). Als
dit woord in het NT ook gebruikt wordt voor de 'vergadering' van gelovigen, de
kerk, moeten we dus bedenken dat dit woordgebruik geen religieuze, maar een
politieke klank had en primair de feitelijke vergadering, het concrete
samenkomen aangeeft.
Paulus (en het Nieuwe Testament) gebruikt het Griekse woord ekklesia met
betrekking tot de christelijke gemeente drieërlei wijze. Hij gebruikt het voor
de universele Gemeente, het Lichaam van Jezus Christus wereldwijd, dus het
totaal van alle christenen; Bijvoorbeeld in Kol. 1:18 `En Hij (Christus) is het
hoofd van het lichaam, de gemeente.' Vervolgens gebruikt hij het woord voor de
plaatselijke gemeente, dat wil zeggen alle christenen in een bepaalde woonplaats
of een bepaalde streek. Hij doet dat in de brief aan de Kolossenzen in hoofdstuk
4:16 waar hij zegt: `Zorgt dan dat hij (deze brief) ook in de gemeente te
Laodicea voorgelezen wordt.' En in de derde plaats gebruikt hij ekklesia
in de betekenis van de gemeente die op één plaats samenkomt. En dat is in het
Nieuwe Testament en pakweg de eerste twee eeuwen na Christus de huisgemeente.
Deze betekenis vinden we bijvoorbeeld in Kol.4:15 "Nymfa met de gemeente
bij haar aan huis". We zagen al dat de gelovigen in Jeruzalem in huizen
samenkwamen, maar het NT meldt ook samenkomsten in huizen in bijvoorbeeld Troas
en Efeze in Klein Azië (Hand. 20:8,20), in Korinthe in Griekenland (Hand.18:7)
en in Rome in Italië (Rom.16:5). Verspreid over de hele toenmalige wereld
vinden we een gemeente die in huizen samenkomt en de `gemeente aan huis' is voor
Paulus een vaste uitdrukking (Rom.16:5; 1Kor.16:19; Kol.4:15). Voordat we hierop
doorgaan willen we eerst nog stilstaan bij de betekenis van de Griekse woorden oikos
en oikia, huis.
Oikos en oikia
De twee woorden overlappen elkaar in betekenis en zijn
beide algemene woorden voor 'huis'. Oikos heeft echter vaker de nuance
'woning, huishouden' dan oikia, wat op haar beurt vaker dan oikos
de betekenisnuance 'gebouw' heeft(6). We
zullen ze in dit korte bestek samen bespreken. Het is van belang te weten dat
deze woorden naast 'huis' in de zin van woning, ook een aanduiding kunnen zijn
voor het 'huis met inbegrip van de bewoners' (Mat. 10:13 'en indien het huis
het waard is, zo kome uw vrede daarover; doch indien niet, zo kere uw vrede tot
u terug) of zelfs de bewoners alleen, het huisgezin. In Filippenzen 4:22 geeft
Paulus een groet van 'de (mensen) uit het huis van de keizer', waar het om de
bewoners, het personeel van de keizer gaat (vgl. Mark.3:25; Joh. 4:53). Deze en
andere teksten geven ook aan dat dit 'huisgezin' niet beperkt mag worden tot
ouders en kinderen en andere familieleden, (tenzij de context dit aangeeft,
zoals in het geval van Noach - Hebr.11:7), maar dat ook het personeel tot dit
'huis' gerekend wordt. Het gaat om het 'huis' in de zin van de grootfamilie, de
'extended family', het uitgebreide gezin, waar naast vader, moeder en kinderen
ook grootouders, ooms en tantes en (al naar gelang de status van de familie) ook
slaven en slavinnen (en hun gezinnen) toe behoorden.
'De gemeente aan huis'
We stelden al dat 'de gemeente aan huis' voor Paulus
een vaste uitdrukking is. In het Grieks is dit h kat' oikon ekklsia (lett.
de aan huis gemeente). Hoe kunnen we het kat' oikon het beste vertalen?
Wanneer een persoon of zaak in de vierde naamval bij kata(7)
genoemd wordt (zoals hier het geval is), is er in het algemeen een globaal of
totaal contact met die persoon of zaak. In dit verband kunnen we kata
o.a. vertalen met 'verspreid over' of 'overal in' (bv. Luc. 8:39: een
hongersnood komt 'over' het land, of in Hand. 22:19: Paulus vervolgt de
gelovigen 'overal in' de synagogen). Zo zegt Paulus in Hand. 20:20 in Milete
tegen de oudsten van Efeze: 'hoe ik niets nagelaten heb van hetgeen nuttig was
om u te verkondigen en te leren in het openbaar en binnenshuis' (kat' oikous).
Het kat' oikous (mv) betekent dus 'overal in de huizen', dat wil zeggen
'in ieder afzonderlijk huis'. Soms is er bij kata gevolgd door een vierde
naamval ook een gedachte aan herhaling op verschillende plaatsen of tijden. In
dat geval komt de betekenis dicht bij het Nederlandse 'per'. We kunnen het boven
genoemde Hand.2:46 'het brood breken aan huis' (kat' oikon) daarom beter
vertalen met 'het brood breken per huis, dat wil zeggen in elk huis apart(8).
Zo betekent de uitdrukking 'de gemeente aan huis' eigenlijk: de gemeente per
huis. En Klauck(9) vertaalt dan ook als
volgt: 'die sich hausweise konstituierende Kirche'.
Huisgemeente-praktijk
Als we de gegevens overzien, kunnen we zonder enige
twijfel stellen dat het huis in de vroege kerk de plaats was waar de gemeente
samenkwam. Tot deze 'huisgemeente' behoorde niet alleen de grootfamilie die het
huis bewoonde, maar ook de gelovigen die elders woonden, maar in dat huis
samenkwamen.
In de huizen van de rijkere christenen kwamen gelovigen uit alle sociale lagen
samen. Het is vanaf het begin kenmerkend dat men in deze huisgemeenten zowel
rijken als armen aantreft. Er is sprake van een sociaal engagement, dat blijkt
uit het vrijwillig openstellen van het huis, de gezamenlijke maaltijden en de
wederzijdse zorg voor elkaar (ze 'hadden alles gemeenschappelijk').
De ruimtelijke keuze voor het huis had automatisch bepaalde consequenties. Zo
heeft bijvoorbeeld de omvang van een doorsnee nieuwtestamentische gemeente
tussen de 10 en 40 personen gelegen.
Wat betreft de invulling van de samenkomsten blijven de in Hand. 2:42 genoemde
elementen ook in later tijd essentieel: onderwijs, avondmaal, gebed en
gemeenschap. Vanaf het begin vinden we in deze huisgemeenten alle kenmerken van
een kerk.
Ook voor de snelle verbreiding van het Evangelie zijn de huisgemeenten in de
vroege kerk belangrijk geweest. We lezen in het evangelie dat Jezus zegt tegen
de zeventig die Hij uitzendt in Israël: 'Welk huis gij ook binnentreedt, zegt
eerst: Vrede zij dezen huize .... Blijft in dat huis, eet en drinkt wat men u
geeft, want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het
andere' (Luc.10:5-7)(10). Zo zijn nadien
voortdurend nieuwe rondreizende evangelisten en profeten uitgegaan (vgl.
3Joh.5-8). De huizen en families die de boodschap aanvaardden werden de
thuiscentra en uitvalsbases voor deze evangelisten, die voor onderdak, kleding
en verzorging op hen waren aangewezen. Uit het apostolisch geschrift de 'Didachè'
(hfst. XI-XIII) blijkt dat deze situatie rond 100 na Chr. nog springlevend is(11).
'Huisgemeente' ecclesiologie
Het fenomeen huisgemeente is ook herkenbaar in de
ecclesiologie, de leer over de kerk, die we in het NT aantreffen. We willen een
paar voorbeelden geven.
In Marcus 3:31-35 lezen we dat Jezus' familie Hem zoekt. Als de mensen Hem dit
vertellen zegt Hij: `wie zijn mijn moeder en broeders?' Hij kijkt naar degenen
die om Hem heen zitten en zegt: `zie, mijn moeder en mijn broeders. Al wie de
wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder'. De geloofsband is
hechter dan de bloedband. De discipelen staan dichter bij Jezus dan zijn naaste
familie. De gemeenschap van gelovigen is het meest fundamentele gezin. Een gezin
met broers, zussen en moeders.
En in Marcus 10:29-30 zegt de Here Jezus: `Voorwaar Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het Evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven'. Naast `moeder of vader' noemt Jezus hier ook de `kinderen'. Met andere woorden Hij spreekt niet alleen over het gezin, waarin je geboren bent, maar ook over het gezin dat iemand gesticht heeft. Ook in dat gezin veranderen relaties, als men gaat behoren tot het huisgezin van God. Het meest fundamentele gezin is het gemeentegezin met geestelijke broers, zussen, moeders en kinderen; een gezin waarvan God zelf de Vader is en de Here Jezus de oudste broer (Hebreeën 2:11-18).
Niet alleen Jezus heeft op deze wijze gesproken over het
huisgezin van God. Ook Paulus beschrijft de gemeente als een gezin met vaders,
moeders, broers en zussen. We lezen bijvoorbeeld in 1 Timoteüs 5:1-2 : `word
niet heftig tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge
mannen als broeders, oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters ...'
Verder spreekt hij over 'het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God'
(1 Tim.3:15), waarvan Jezus Christus het fundament (1Kor.3:11) of de hoeksteen
is (Efez.2:20).
Ook de apostel Johannes gebruikt het beeld van het 'huis(gezin)': Hij spreekt
over vaders, kinderen en jongemannen (1 Johannes 2:12-14).
We willen deze nieuwtestamentische inleiding besluiten met een citaat van J.C. Hoekendijk(12): "de tempel is niet een van de voorlopers van de ecclesia en de ecclesia is geen variant van de synagoge, het leerhuis. ... De meest duidelijke demonstratie van dit fundamentele gegeven was, dat de mensen samenkwamen in de maatschappij - oikos (daar waar de mensen zijn)!"
ONTWIKKELING SINDS 1800
De recente historische achtergrond
Voor de recente historische achtergrond van de
evangelische leefgemeenschappen, moeten we terug gaan naar het jaar 1800. Wat
gebeurde er toen? Het is de tijd van de expansiedrift van keizer Napoleon. Maar
er is in deze tijd nog een andere expansiedrift gaande. In de 18e eeuw is er in
verband met de toenemende sfeer van rationalisme in de kerk sprake van een
verlamming in de zendingsmotivatie. Deze terugval wordt rond 1800 gevolgd door
een nieuwe opleving.
Het begin van deze periode wordt ingeluid door de Engelse schoenmaker en
baptistenpredikant William Carey. Hij is de pionier van de nieuwe
zendingsbeweging.
Deze opleving valt samen met opwekkingen buiten de gevestigde kerken, die het
begin van de 19e eeuw kenmerken. In 1792 laat Carey voor het eerst met een boek
('Enquiry') van zich horen en in 1795 wordt het eerste interkerkelijke
genootschap opgericht ('London Missionary Society' - LMS), dat een voorbeeld zal
worden voor de zendingsbeweging in de 19e eeuw. Kerkhistorici concluderen dan
ook dan 'de zending in de 19e eeuw een overwegend genootschappelijk karakter
heeft'. Het is kenmerkend voor de Europese zendingsorganisaties tot diep in de
20e eeuw, dat zij particuliere en geen kerkelijke initiatieven zijn'(13).
Wat houdt dit nu in?
1. Ten eerste is de zendende instantie sindsdien niet langer de kerk, maar het
genootschap, de vereniging.
2. Ten tweede worden deze zendelingen niet gelegitimeerd door een kerkelijk
ambt, maar doorslaggevend zijn persoonlijke roeping en een goed verstand: een
gedegen kennis van de Bijbel en vol van geloof en de Heilige Geest.
Maar ook een kritische opmerking is op zijn plaats. Hoe goed dit alles ook in de
geschiedenis verklaarbaar is als reactie op een dorre rationalistische kerk, het
is ook het begin van het 'individualisme' en het 'subjectivisme' ('ik luister
niet naar mensen, alleen naar God') en soms ook 'separatisme', dat de
evangelische genootschappen kenmerkt tot in onze tijd toe.
In de loop van de 20e eeuw groeit vervolgens het bewustzijn
dat er inmiddels in alle werelddelen kerken zijn. Verder wordt het ook steeds
duidelijker dat ook Europa een zendingsveld is. Zending is nodig in zes
continenten. Zo ontstaan er sinds het midden van onze eeuw in snel tempo vele
evangelische genootschappen met een nationale bediening. Maar de structuur en de
relatie met de kerk blijft gelijk aan het zendingsgenootschap.
Ook de evangelische leefgemeenschappen behoren tot deze groep genootschappen.
Zij hebben doorgaans de vorm van het onafhankelijke, interkerkelijke genootschap
(meestal een evangelische stichting).
De leefgemeenschap als evangelische organisatie
Is een evangelische organisatie hetzelfde als een
christelijke organisatie?
We kunnen ruwweg twee soorten christelijke organisaties onderscheiden. (er zijn
natuurlijk altijd overlappingen en grensgevallen)
1. Ten eerste zij die hun doelstelling gemeen hebben met een algemene, seculiere
organisatie, zoals christelijke uitgevers, christelijke politieke partijen of
christelijke scholen.
2. Ten tweede groepen waarvan de doelstelling overeenkomt met de opdracht van de
kerk, bijvoorbeeld organisaties op het gebied van evangelisatie, zending en
bijbelonderwijs.
De organisaties van de eerste hoofdgroep zijn mogelijkheden die individuele
christenen en kerken hebben binnen een democratisch staatsbestel. De
organisaties van de tweede hoofdgroep daarentegen hebben een van de opdrachten
van de christelijke gemeente als hun doelstelling. Hiertoe behoren de meeste
evangelische organisaties en ook de meeste evangelische leefgroepen.
Dit betekent het volgende: De christelijke leefgemeenschap hoort als
instelling primair bij de kerk en pas in tweede instantie als onderdeel van de
kerk bij de burgersamenleving.
Maar op welke wijze hoort de leefgemeenschap dan bij de kerk?
Drievoudig karakter van de kerk
We zullen eerst duidelijker moeten definiëren wat we
onder 'gemeente' verstaan. De kerk heeft een drievoudig karakter.(14)
1. De kerk als instituut, de uiterlijke vorm van de kerkelijke
organisatie.
2. De kerk als gemeenschap, het organisme, het 'Lichaam van Christus'.
3. De kerk als gezant van God, die namens Hem de wereld ingaat. Met een
moeilijk woord: de missionaire bediening van de Kerk. Dat kan zich op alle
mogelijke manieren uiten, hetzij vanuit de kerk als instituut, hetzij vanuit
activiteiten van enkelingen of groepen.
Met dit derde karakter van de Gemeente komen we m.i. tot de kern, waar we de
huidige evangelische leefgemeenschap in de Bijbel moeten zoeken. We moeten
daarom op dit aspect van de Gemeente wat dieper ingaan.
Leefgemeenschap en apostelbediening
Als we het NT lezen vinden we de missionaire bediening
van de Kerk samengebald in de bediening van de apostel en zijn team. Er zijn
ruwweg drie kenmerken:
1. Hij is persoonlijk geroepen door de Heer: 'Heb ik niet Jezus, onze Here,
gezien?' zegt Paulus (1Cor.9:1; Gal.1:1,15v).
2. Het werken op onontgonnen terrein is zijn voornaamste taak. Hij is een
pionier, die werkt op plaatsen waar het Evangelie nog geen gestalte heeft
gekregen (vgl.1Cor.3:5b en 10; 9:2).
3. Hij heeft een eerste, maar tijdelijke verantwoordelijkheid van nazorg en
leiding (voor de door hem gestichte gemeenten, zie brieven NT, met name
2Cor.10-13). Als de gemeente volwassen is gaat hij weer naar nieuw onontgonnen
terrein.
Maar hoe onafhankelijk was de apostel van de gemeente als
instituut? Het is in dit verband van belang erop te wijzen dat Paulus een sterke
gezindheid van samenwerking had. Hij was erop gericht dat zijn bediening erkend
werd door de apostelen te Jeruzalem en dat het hele apostolaat in harmonie
samenwerkte (Gal.2).
Vervolgens was bijvoorbeeld de eerste zendingsreis niet zijn idee, maar de
Heilige Geest sprak tot de profeten en leraars uit de gemeente in Antiochië
(Hand.13:1-3).
Verder is het belangrijk dat bij een probleem of meningsverschil een
'conferentie' werd georganiseerd (zie Hand.6:2 over de kwestie van de
Griekstalige weduwen, en Hand.15:1-3 over de minimale eisen voor gelovigen uit
de heidenen).We moeten dus concluderen dat er naast een zekere
onafhankelijkheid, ook sprake is van gehoorzaamheid, overleg en samenwerking.
EVALUATIEVE CONCLUSIES
1. De christelijke leefgemeenschap is niet een gemeenschap naast de kerk of een aanvulling op de kerk, die gemist kan worden, maar een essentieel en fundamenteel onderdeel van de christelijke Kerk. De essentie van de christelijke leefgemeenschap en de christelijke gemeente is namelijk gelijk: gemeenschap met God en met elkaar.
2. De meeste huidige evangelische leefgemeenschappen functioneren als onafhankelijke interkerkelijke genootschappen, die historisch gezien hun wortels hebben in het 19e eeuws zendingsgenootschap.
3. Voor zover een evangelische leefgemeenschap een
onafhankelijke evangelische organisatie is, heeft ze principieel bestaansrecht
zolang zij de apostel-bediening van de Kerk vertegenwoordigt.
Dit karakter is van blijvende aard in haar gerichtheid op de wereld: we denken
dan aan zending en werelddiaconaat.
Deze bediening is echter tijdelijk wat betreft haar gerichtheid op de
plaatselijke gemeente: we denken dan bijvoorbeeld aan gemeenschapsvorming en
pastoraat. Wat houdt dit laatste in?
Het betekent m.i. dat de leefgemeenschap in haar relatie tot de plaatselijke
kerk:
* ofwel de intentie moet hebben om zichzelf te laten opgaan in een plaatselijke
gemeente, namelijk wanneer deze gemeente haar principes en doelstellingen heeft
overgenomen.
* ofwel bereid moet zijn zelf als plaatselijke gemeente te gaan functioneren,
zoals we zien in de eerste gemeente van Jeruzalem, die door Lucas wordt
beschreven in Handelingen hoofdstuk 2 en 4.
LITERATUUR:
J.N. Bakhuizen van den Brink, W.F. Dankbaar, Handboek der kerkgeschiedenis I-IV. Den Haag, 1968.
R. Banks, Paul's Idea of Community. The Early House Churches in their Historical Setting. Grand Rapids, 1980.
H. Berkhof, Christelijk Geloof. Nijkerk, 1973.
D. Birkey, The House Church. A Model for Renewing the Church. Scottdale 1988.
V. Branick, The House Church in the Writings of Paul (Zacchaeus Studies: New Testament) Wilmington 1989.
J. Blohm, "Die Dritte Weise. Zur Zellenbildung in der Gemeinde. Betrachtungen und Überlegungen zur Hauskreisarbeit unter Zugrundelegung einer empirischen Erhebung. Stuttgart 1992.
H.J. Klauck, `Die Hausgemeinde als Lebensform im Urchristentum', Müncher Theologische Zeitschrift 32 (1981) 1-15.
NOTEN
1. Dit gebeurde om de 'gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden' op een passende wijze gestalte te geven. We lezen dat de gelovigen in Jeruzalem ook elke dag in de tempel bijeen waren en wel in de zuilengang van Salomo, waar ook de apostelen waren (Hand.3:11; 5:12). Het samenkomen in huizen was dus niet noodzakelijk, omdat men geen andere mogelijkheden had. Men kon bijvoorbeeld ook een zaaltje huren, zoals Paulus deed in Efeze, toen de besprekingen in de plaatselijke synagoge bemoeilijkt werden (Hand.19:8-10).
2. Twee zaken zijn niet geheel duidelijk: heeft avndrw/n hier de stricte betekenis 'mannen' (dus uitgezonderd vrouwen en kinderen) of de meer algemene betekenis van avnqrw,pwn, mensen? En moeten deze 5000 bij het eerder genoemde aantal van 3000 (2:41) opgeteld worden of is het totaal van de gemeente op dat moment bedoeld?
Met Ernst Haenchen en bijvoorbeeld de Groot Nieuws Bijbel (herziene uitgave, Haarlem 1996) nemen wij aan dat Lucas het hier heeft over het totale aantal christenen op dat moment, en dat avndrw/n hier in algemene zin gebruikt is, evenals in Luc. 11:31 (vgl. ook yucai in Hand. 2:41). E. Haenchen, Die Apostelgeschichte (KEK, 7e dr. Göttingen, 1977) 213
Joachim Jeremias stelt dat Jeruzalem ten tijde van Jezus tussen 25000 en 30000 inwoners telde [J. Jeremias, "Die Einwohnerzahl z. Zt. Jesu", ZDPV, 63 (1943) 24-31]. De aantallen die Jozefus (meer dan een miljoen, Bell.6,420) en Tacitus (600.000, Hist., V,13) noemen, zijn volgens hem sterk overdreven (TDNT VII, 323).
Op grond van het onderzoek van Jeremias en het feit dat dus een vijfde of een zesde van de inwoners van de stad tot geloof in Jezus zou zijn gekomen, zegt Haenchen vervolgens: 'das zeigt dass die Zahl 5000 nicht statistischen, sondern symbolischen Wert besitzt' (pg. 213, noot 3). Een vreemde opmerking voor een historicus.
Wij kunnen ons beter vinden in de opmerkingen van Adolf Schlatter: 'Wir haben dabei daran zu denken, dass in Jerusalem alles zur Entscheidung reif war: die Zuhörer lebten in der Schrift und in der Weissagung. Nun wurde ihnen die Frage mit aller Bestimmtheit gestellt: Ist Jesus der Christus, oder ist er es nicht? ... Mit der Ruhe, die die Wahrhaftigkeit gewährt, erklärten die Apostel: wir sahen ihn auferstanden. ... Man kann auch nicht sagen, für Jesu eigene Arbeit wären solche Zahlen eher zu erwarten als für der Jünger. Denn Jesus konnte seinen Hörern die Entscheidung für oder gegen ihn nicht mit derselben Bestimmtheit vorlegen wie die Apostel, die auf das fertige Werk Jesu hinzuzeigen vermochten. Vor dem Kreuz blieb Jesu Ziel und Werk rätselhaft; er konnte es nicht mit Worten deuten; die Tat Gottes allein musste hier Licht schaffen.' A. Schlatter, Die Apostelgeschichte, (Stuttgart, 1948) 49-50.
3. R. Banks, Paul's Idea of Community. The Early House Churches in their Historical Setting (Grand Rapids, 1980) 41-42; V. Branick, The House Church in the Writings of Paul (Zacchaeus Studies: New Testament, Wilmington 1989) 39-41.
4. Jeremias stelt vanuit een vergelijk met joodse praktijken in de eerste eeuw, dat de gemeenschappelijke maaltijden in de vroege kerk onderdeel waren van een sociale diensverlening, zoals dagelijkse voedseldistributie, aan minder bedeelde gelovigen. J. Jeremias, Jerusalem in the Time of Jesus, An Investigation into Economic and Social Conditions during the New Testament Period (tr. F.H. and C.H. Cave, Philadelphia, 1969 19772) 131.
5. W. Bauer, Wörterbuch zum Neuen Testament, s.v. evkklhsi,a (Berlin-New York, 1971); G. van den Brink e.a., red., Studiebijbel, Woordstudies en Concordantie, XII (Soest. 1992) 276-280.
6. Bauer, a.w., s.v. oi=koj en oi=kia.
7. Bauer, s.v. kata II, c/d; Liddell-Scott-Jones, Greek-English Lexicon, s.v. kata B.II (Oxford 1968); G. van den Brink e.a., a.w., XIII (Soest. 1993) 258-259
8. We moeten dan ook de uitleg van Jeremias afwijzen, die stelt dat katV oi=kon hier naast 'in de tempel' betekent 'aan huis' in de zin van 'in één bepaald huis', mede omdat alle apostelen aanwezig zouden zijn. J. Jeremias, a.w, 131 n. 20.
Er zijn drie argumenten tegen deze interpretatie: 1. De betekenis van kata + acc; 2. De voortdurende aanwezigheid van alle apostelen in één huis is niet aanwijsbaar; 3. Het aantal gelovigen maakt dit praktisch onmogelijk.
9. H.J. Klauck, `Die Hausgemeinde als Lebensform im Urchristentum', Müncher Theologische Zeitschrift 32 (1981) 2
10. Voor de grote invloed van dit patroon in de vroege kerk, zie: D.L. Matson, Household Conversion Narratives in Acts, Pattern and Interpretation (JSNT Suppl. Series 123) Sheffield 1996.
11. A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders 1 (2e dr., Kampen 1992) 251-253
12. A. Camps e.a., red., 'Eerst horen dan Zien, J. C. Hoekendijk (1912-1975)', Wereld en Zending 5/6 (1976) 398.
13. J.N. Bakhuizen van den Brink, W.F. Dankbaar, Handboek der kerkgeschiedenis IV (Den Haag, 1968) 134, 268
14. H. Berkhof, Christelijk Geloof (Nijkerk, 1973) 362